Het Nederlandse ELEO Technologies, opgericht door drie studenten van de TU Eindhoven, opent op 26 januari zijn nieuwe batterijfabriek op de Automotive Campus op Helmond. De fabriek wordt officieel geopend door Koning Willem-Alexander.
ELEO is een bedrijf dat is gespecialiseerd in het ontwerpen en produceren van hoogwaardige batterijsystemen. De systemen zijn gericht op een breed scala aan industriële toepassingen. Denk hierbij aan bouw- en landbouwmachines, maar ook aan commerciële voertuigen. Met zijn accusystemen draagt ELEO bij aan de elektrificatie van voertuigen en machines, wat de verduurzaming van de sector kan versnellen.
Het bedrijf is in 2017 opgericht door een drietal toenmalig studenten van de Technische Universiteit Eindhoven: Bas Verkaik, Jeroen Bleker en Bram van Diggelen. De eerste accusystemen van ELEO zijn sinds 2020 op de markt verkrijgbaar.
In een nieuwbouwpand schaalt ELEO haar productiecapaciteit nu fors op. Het bedrijf vertienvoudigt zijn jaarlijkse productiecapaciteit in de nieuwe faciliteit tot 500MWh. Dit staat gelijk aan zo’n 10.000 batterijpakketten. De nieuwe fabriek kent een oppervlakte van 3.000 m2. ELEO kan de locatie in de toekomst uitbreiden tot 4.000 m2.
In de fabriek assembleert ELEO in een cleanroom volledig geautomatiseerd batterijmodules. Ook zijn high-tech R&D-labs beschikbaar waar ELEO zijn bestaande batterijtechnologie wil doorontwikkelen. Denk echter ook aan testfaciliteiten, paddocks, assemblagemogelijkheden en warehouses.
Duurzaamheid krijgt bij de bouw van de locatie ook de nodige aandacht. Zo wordt de locatie verwarmd met behulp van een warmtepomp. Zonnepanelen zijn aanwezig voor de opwekking van duurzame energie
Koning Willem-Alexander is bij de opening van de fabriek op de Automotive Campus aanwezig. Voorafgaand aan de opening verzorgt een van de oprichters van ELEO een korte presentatie over het bedrijf en de nieuwe fabriek. Na de officiële opening krijgt de Koning een rondleiding door de fabriek. ELEO geeft hierbij uitleg over het productieproces van de batterijsystemen en toont verschillende toepassingen.
ELEO maakte in april vorig jaar nog bekend een omvangrijke deal te hebben gesloten met het Japanse Yanmar Holdings Co. Yanmar nam hierbij een meerderheidsbelang in ELEO. De aandelen zijn in handen van Yanmar Europe, een dochteronderneming van Yanmar Holdings. Het bedrijf wil de batterijtechnologie van ELEO integreren in zijn elektrische aandrijflijnen. ELEO blijft als onderdeel van de Yanmar Group als een onafhankelijk bedrijf opereren en gevestigd in Helmond. Verkaik, Bleker en Van Diggelen nemen samen met topmensen van Yanmar zitting in de raad van bestuur van ELEO.
“Yanmar zet zich in voor het leveren van oplossingen voor elektrische aandrijflijnen die onze klanten in staat stellen emissievrije technologie toe te passen zonder concessies te doen aan de productiviteit”, zegt Tomohisa Tao, President van Yanmar Power Technology.
“De investering in ELEO geeft ons de mogelijkheid om zeer innovatieve technologie toe te passen die is ontworpen voor de zware omstandigheden waarin onze eindgebruikers werken. We kijken ernaar uit om met het ELEO-team samen te werken aan hun progressieve productroadmap en onze ervaring, expertise en wereldwijde aanwezigheid te gebruiken om hen te ondersteunen in hun opwindende groeipad, naar de realisatie van een duurzame toekomst”.
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Bron foto: Paul Brennan via Pixabay
Meta, moederbedrijf van Facebook, Instagram en WhatsApp, neemt Belgisch-Nederlands bedrijf Luxexcel over. Dit bedrijf is gespecialiseerd in het 3D-printen van lenzen voor brillen. Het gaat daarbij niet alleen om lenzen op sterkte, maar ook om lenzen waarin technologie is geïntegreerd.
Luxexcel is een bedrijf dat in 2019 is opgericht. Het hoofdkantoor van de organisatie is gevestigd in Eindhoven, terwijl R&D en operationele werkzaamheden plaatsvinden in het Belgische Turnhout. Het bedrijf beschikt ook over sales- en serviceteams in de Amerikaanse staat Georgia.
Het produceren van lenzen omvat normaliter allerlei complexe processen, waaronder het schuren en polijsten van de lenzen. Dit proces kent diverse nadelen, waaronder een complexe afwerking, de noodzaak grote voorraden aan te houden en relatief veel verlies van materiaal.
Met 3D-printen wil Luxexcel een alternatieve productiemethode bieden. Het bedrijf ontwikkelde hiervoor een eigen platform genaamd VisionPlatform. Dit platform vervangt ongeveer dertig stappen in het traditionele productieproces van lenzen. VisionPlatform is een zogeheten ’turn-key’ oplossing, wat betekent dat partners direct met het platform aan de slag kunnen voor de productie van lenzen voor zowel traditionele als slimme brillen.
Het VisionPlatform bestaat uit meerdere onderdelen. Luxexcel VisionEngine is een schaalbaar en flexibel 3D-printplatform voor het produceren van lenzen. Het platform omvat daarnaast Luxexcel VisionClear, een reeks materialen die bestaat uit gepatenteerde inkt van het bedrijf en is geoptimaliseerd voor het 3D-printen van lenzen. Het laatste onderdeel is de software Luxexcel VisionMater voor het ontwerpen en printen van op maat gemaakte lenzen.
Tijdens het printproces maakt Luxexcel gebruik van een speciale inkt, waarmee druppel voor druppel een lens wordt opgebruikt. Een 3D-printer brengt miljarden kleine druppels nauwkeurig in positie, waardoor een glad oppervlakte ontstaat dat niet hoeft worden nabewerkt.
Meta neemt Luxexcel over. Helemaal onverwacht komt deze overname niet; al langer gaan er geruchten dat Meta en Luxexcel samenwerken. Binnen deze samenwerking zou de focus liggen op Project Aria, een onderzoeksinitiatief van Meta op het gebied van augmented reality (AR). Bij AR wordt een digitaal beeld over de werkelijkheid gelegd, zonder dat de omgeving uit beeld verdwijnt. Dit maakt het mogelijk lagen bovenop de echte wereld te leggen.
De markt voor slimme brillen is niet nieuw voor Meta. Het bedrijf kondigde bijvoorbeeld in september 2021 de Ray-Ban Stories aan. Met deze slimme bril die Meta samen met Ray-Ban ontwikkelde kunnen gebruikers onder meer foto’s en video’s maken, evenals handsfree gebruikmaken van de platforms van Meta.
De Ray-Ban Stories is overigens vooralsnog niet op de markt verschenen. Het bedrijf zou de bril in 2024 hebben willen introduceren, maar schaalde volgens geruchten zijn plannen voor de AR-bril afgelopen zomer af. Meta wilde niet reageren op deze geruchten.
Het is niet het eerste bedrijf op het gebied van AR en Virtual Reality (VR) waarin Meta investeert. Eerder nam Meta Oculus over, dat inmiddels door het leven gaat als Reality Labs. Dit bedrijf richt zich op de productie van VR- en AR-headsets en -software. Een bekend voorbeeld zijn zijn de Rift en Quest VR-headsets van het bedrijf.
Financiële details over de overname zijn niet bekend gemaakt. De Tijd spreekt echter wel van een ‘stevige prijs’.
Auteur: Wouter Hoeffnagel
De nieuwe Vanta neurostimulator is afgelopen maand voor eerst geplaatst bij een patiënt met chronische clusterhoofdpijn. De implantatie is uitgevoerd door neurochirurg Erkan Kurt van CWZ Nijmegen. De Vanta batterij biedt meer comfort voor de patiënt, kent meer mogelijkheden en biedt een langere levensduur.
Patiënten met clusterhoofdpijn ervaren aanvallen van hele heftige hoofdpijn. De pijn zit vaak aan één kant van het hoofd rond het oog. Het gaat om een scherpe, brandende of knellende pijn. Aanvallen komen voor in periodes van weken tot maanden. Al langer zijn neurostimulators beschikbaar, die bij patiënten worden geïmplanteerd. Deze geven stimulatie af en onderbreken zo de pijnsignalen.
De Vanta is een nieuw soort neurostimulator. Deze is comfortabeler voor de patiënt, biedt meer mogelijkheden en kent een langere levensduur. Neurochirurg Kurt implanteerde de neurostimulator bij de 48-jarige Natascha Peters. Peter licht toe: “Ik heb al 12 jaar ’s nachts aanvallen van clusterhoofdpijn. Pijnsteken, flitsen, een ijzeren band om mijn hoofd. Je wilt met je hoofd door de muur heen en denkt alleen maar: dit moet ophouden! Als de aanval voorbij is, begint het na 10 minuten opnieuw. ’s Ochtends ben ik helemaal uitgeput, maar je moet door voor je gezin. Andere behandelingen hielpen niet bij mij, daarom ben ik erg blij dat ik hiervoor in aanmerking kwam. De batterij in mijn bil voel ik niet als ik zit en het is fijn dat ik het apparaatje zelf kan bedienen. Ik merk nu al effect. Als ik de stimulator iets harder zet, heb ik minder hoofdpijn en de aanvallen waren vannacht korter dan voorheen. Misschien heb ik geluk en blijven ze in de toekomst helemaal weg. Het is een verademing!”
Zo’n vijftig patiënten krijgen bij het expertisecentrum hoofd- en aangezichtspijn van CWZ een behandeling voor clusterhoofdpijn. Jaarlijks komen daar zo’n tien tot vijftien patiënten bij. Twee verpleegkundig specialisten, Suzanne Geerts en Mieke Heitkamp, zijn de spil in de zorg die CWZ aan deze patiënten levert.
“Chronische clusterhoofdpijn is een vrij zeldzame aandoening met meerdere extreme pijnaanvallen per dag. Dat heeft een grote invloed op de kwaliteit van leven van de patiënt. Eerst schrijven we mensen medicatie voor. Als geen van de drie soorten medicijnen helpen, is neurostimulatie het laatste redmiddel. Maar deze behandeling is niet zo maar iets. Na de operatie zijn er gedurende enkele maanden strenge leefregels, om te voorkomen dat de elektroden verschuiven. En daarna mogen sommige sporten en activiteiten niet meer. Vaak wegen de voordelen toch zwaarder dan de nadelen”, vertelt Geerts.
Stimulatie van de achterhoofdszenuw kan de pijngeleiding in de hersenen verminderen. Zo neemt het aantal en de ernstig van hoofdpijnaanvallen drastisch af. In sommige gevallen kan stimulatie zelfs ertoe leiden dat patiënten klachtenvrij zijn. Heitkamp: “Dat zien wij ook in CWZ. We hopen altijd dat de klachten met de helft afnemen. Het merendeel van de patiënten merkt direct al resultaat, alleen verschilt het per persoon hoeveel. Er zijn patiënten die eerst acht aanvallen per dag hadden en nu geen één meer. Bij anderen is er helaas minder effect.”
De Vanta neurostimulator is voorzien van een nieuwe batterij. De neurochirurg implanteert tijdens de ingreep twee elektroden onder de huid van het achterhoofd. Deze zijn via een verlengkabel verbonden met de batterij. Deze batterij is onderhuids in de bil geplaatst bij patiënten. De Vanta neurostimulator is comfortabeler en duurzamer dan alternatieve neurostimulators. Heitkamp: “De nieuw Vanta batterij is compacter dan zijn voorganger en heeft afgeronde hoeken. Daardoor ligt hij comfortabeler in het lichaam. Het gaat om een niet oplaadbare batterij die op een gegeven moment leeg is en dan vervangen moet worden. Hij gaat ondanks zijn verkleinde design circa 15% langer mee dan zijn voorganger. Een stuk duurzamer dus.”
Het instellen van de neurostimulator speelt een belangrijke rol bij de resultaten die het apparaat voor patiënten oplevert. “De hoogte van de stimulatie verschilt per patiënt. Soms hebben we meteen de goede instelling te pakken, bij anderen hebben we wat meer tijd nodig. Het mooie van de nieuwe batterij is dat we de instelling ook per houding kunnen aanpassen, bijvoorbeeld bij liggen een wat lagere amplitude dan bij zitten. We geven patiënten een afstandsbediening mee naar huis, waarmee ze de amplitude zelf kunnen beïnvloeden.” Goede begeleiding is volgens Heitkamp heel belangrijk. “In het begin komen ze na de implantatie wat vaker op de poli om te vertellen hoe het gaat, later is één controle per jaar voldoende”, aldus Heitkamp.
“De behandeling met neurostimulatie is echt een doorbraak voor mensen met deze ernstige vorm van hoofdpijn”, zegt Geerts. “Dankzij de behandeling pakken ze weer hun activiteiten op. Ze staan echt meer in het leven als je hen terugziet op de poli.”
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Afbeelding: Gerd Altmann via Pixabay
Een nieuw Nederlands consortium wil binnen acht jaar de volgende generatie batterijen ontwikkelen. Een beter begrip van materiaalinterfaces moet hierbij de basis vormen. Het consortium wil dat Nederlandse partijen een spilfunctie gaan vervullen in de ontwikkeling van toekomstige batterijtechnologie.
Het project staat onder leiding van Prof. M. (Marnix) Wagemaker, verbonden aan de Faculteit Technische Natuurwetenschappen van de TU Delft. Het consortium wil de volgende generatie batterijen ontwikkelen. Deze moeten veiliger zijn, een hogere energiedichtheid kennen en een langere levensduur bieden. Ook moet de batterijtechnologie milieuvriendelijker zijn dan huidige technologieën. Deze kenmerken zijn volgens BatteryNL cruciaal voor een samenleving die is gebaseerd op duurzame energiebronnen.
Batterijen en accu’s zijn terug te vinden in steeds meer producten. Denk hierbij aan energieopslagsystemen, elektrische en hybride voertuigen, maar ook aan apparaten als noodstroomvoorzieningen, smartphones, smartwatches, tablets, laptops en elektrisch gereedschap.
De focus ligt binnen BatteryNL op wat het consortium het ‘hart van batterijen’ noemt: het raakvlak tussen elektrode en elektrolyte. Met behulp van schaalbare technologieën willen de betrokken partijen dit hart verbeteren.
“Wij ontwikkelen materialen voor de volgende generatie batterijen die veiliger en milieuvriendelijker zijn en hogere prestaties leveren, noodzakelijk om het toekomstige elektriciteitsnet te stabiliseren en de voordelen van elektrische mobiliteit te benutten”, zegt Wagemaker op de website van de TU Delft.
Het consortium stelt de volgende doelstellingen:
Het consortium wil dat Nederlandse partijen een spilfunctie gaan vervullen in de ontwikkeling van volgende generaties batterijtechnologie. Om de maatschappelijke integratie van technologische doorbraken te vereenvoudigen willen zij de sociale en economische gevolgen in nauwe samenwerking met verschillende belanghebbenden evalueren.
Een groot aantal Nederlandse partijen die betrokken zijn bij batterijontwikkeling zijn bij BatteryNL betrokken. Denk hierbij aan kleine bedrijven en multinationals, maar ook aan kennisinstellingen. Naast de TU Delft gaat het om de volgende partijen:
Het project van 9,3 miljoen euro is gefinancierd door NWO-RCO.
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Foto: Akela999 via Pixabay
Het initiatief Industrial Additive Manufacturing in Metals (IAMM) krijgt door Regieorgaan SIA een SPRONG-aanvraag toegekend. Binnen dit project werken de hogescholen Fontys, Windesheim en Saxion samen met diverse partijen aan de doorontwikkeling van 3D-metaalprinten en het opbouwen van kennis. De komende vier jaar krijgt IAMM subsidie en 50 procent cofinanciering.
SPRONG is een subsidieprogramma van het Regieorgaan SIA. Het doel is onderzoeksgroepen te laten doorgroeien en laten bijdragen aan de integratie van hogescholen in het regionale, nationale en internationale kennisecosysteem. Ook helpen de projecten die steun vanuit SPRONG ontvangen met de verdere ontwikkeling tot kennisinstelling.
Additieve productie of 3D-printen wint de afgelopen jaren snel aan populariteit. De technologie biedt diverse interessante mogelijkheden. Denk hierbij aan het sneller produceren van prototypes, het produceren van componenten in kleine oplages of het vervaardigen van producten op maat. 3D-printen is mogelijk in diverse materialen, waaronder metaal.
3D-metaalprinten is niet nieuw, maar brengt unieke uitdagingen met zich mee. Onder meer door de hogere kosten in verhouding met andere vormen van 3D-printen. IAMM noemt een goede inbedding in de keten daarom van groot belang. Niet alleen in technologisch, maar ook in commercieel opzicht.
Rein van der Mast, onderzoeksleider 3D-printen in Metalen bij Fontys Engineering, legt uit: “De ontwerper en de werkvoorbereider moeten elkaar makkelijk weten te vinden. Beslissingen die de ontwerper neemt hebben namelijk grote gevolgen verderop in de keten.”
Een ecosysteem voor de uitwisseling van kennis op het gebied en het tot stand brengen van nieuwe toepassingen van 3D-metaalprinttechnieken ontbreekt echter in Nederland. IAMM wil deze ontwikkeling op gang helpen.
De doelstelling van IAMM voor de komende acht jaar is zich verder ontwikkelen tot een praktijkgerichte onderzoeksgroep die nieuwe kennis ontwikkelt over de technieken voor en toepassingen van 3D-metaalprinten. Deze kennis wil IAMM delen met het werkveld, en bijdragen aan actueel onderwijs over deze sleuteltechnologie.
Bij het project zijn diverse partijen betrokken, waaronder universiteiten, brancheverenigingen, kenniscentra en techbedrijven. Denk echter ook aan meerdere regionale fieldlabs en de Centres of Expertise GreenPAC, TechForFuture en HTSM Fontys. IAMM werkt samen met Flam3D, een netwerkorganisatie voor 3D-printen in de Benelux. Penvoerder binnen het project is het lectoraat Kunststoftechnologie van het Windesheim.
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Foto: softeus via Pixabay
Noorwegen bereikt een nieuwe mijlpaal in de omarming van elektrische voertuigen. Twintig procent van alle auto’s op de Noorse wegen zijn inmiddels elektrisch.
Dit meldt de Norwegian Electric Vehicle Association aan diverse media. In drie jaar tijd is het aandeel van elektrische voertuigen in het Noorse wagenpark gestegen van 10 naar 20 procent. De organisatie verwacht dat het aandeel blijft stijgen en over twee jaar 30 procent bedraagt.
De Noorse overheid stimuleert al langere tijd het gebruik en de aanschaf van elektrische voertuigen. Onder meer met belastingvoordelen op de aanschaf van elektrische voertuigen. Het land streeft ernaar dat in 2025 alle nieuwe auto’s die worden verkocht geen uitstoot hebben.
De aandeel van elektrische voertuigen in het Noorse wagenpark varieert overigens sterk per regio. Zo ligt het percentage in de hoofdstad Oslo op 33,2%. In de provincie Finnmark in het noorden van het land blijft het percentage echter steken op 4,7%.
Hiermee loopt de provincie Finnmark overigens nog altijd voor op Nederland. Zo meldt RAI Vereniging dat 3,3% van alle voertuigen in Nederland volledig elektrisch zijn. Benzineauto’s zijn nog altijd veruit in de meerderheid met 7,2 miljoen stuks, waarmee zij goed zijn voor 79% van het Nederlandse wagenpark. 10% van de voertuigen op de Nederlandse wegen is een dieselauto (950.000 stuks).
Het aantal elektrische voertuigen op de Nederlandse wegen groeit gestaag. RAI Vereniging meldt dat per 1 september voor het eerst meer dan 300.000 elektrische voertuigen geregistreerd waren in Nederland. Op 1 januari 2020 waren dit er nog krap 108.000. Bijna 600.000 voertuigen beschikken over een hybride aandrijflijn. Dat is bijna twee keer zoveel als ruim 2,5 jaar geleden.
Deze groei wijt RAI Vereniging in belangrijke mate aan het Nederlandse stimuleringsbeleid. Deze voordelen worden echter ieder jaar verder afgebouwd. Voor na 2025 is er vooralsnog geen beleid voor elektrische voertuigen voorzien. RAI Vereniging verwacht dat de ingroei van EV’s daardoor gaat afvlakken.
Het Nederlandse kabinet streeft ernaar dat 100% van de verkochte nieuwe auto’s in 2030 elektrisch is. Om de klimaatdoelen voor de sector mobiliteit in zicht te houden en tegelijkertijd te werken aan een gezond aanbod van gebruikte EV’s voor Nederlanders is er volgens RAI Vereniging ook na 2025 nog gericht EV-beleid nodig, zowel voor de zakelijke als particuliere markt.
De Nederlandse politie maakte begin deze maand nog bekend een aanbesteding te starten voor het basis politievoertuig, waarbij het gaat om zowel personenvoertuigen als personenbussen. Voor het eerst besteedt de politie ook elektrische voertuigen aan.
“Een deel van de aanbesteding basis politievoertuigen wordt elektrisch”, zegt producten- en dienstenmanager Voer- & vaartuigen Irene Meulenkamp. “In een aantal eenheden is al getest met elektrische auto’s. De politie kiest voor elektrisch rijden om de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Het deel dat nog een fossiele verbrandingsmotor heeft, zal benzine of mild-hybride worden. Om het risico op leveringsproblemen te beperken, kiezen we voor de personenvoertuigen om twee merken te contracteren. Voor elektrische personenbusjes is de markt nog niet ver genoeg ontwikkeld, dus dat worden wel diesels. We houden wel de optie open voor elektrische busjes.”
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Beeld: Pixabay / geralt
Zorgverleners, gemeenten en zorgverzekeraars CZ en VGZ willen het aantal valincidenten met zestig procent terugdringen. Zij zetten hiervoor in op een combinatie van een wearable en app met AI en sensoren, een beweegprogramma en het verbinden van het sociale netwerk en hulpverleners.
Gemiddeld valt in Nederland iedere vijf minuten een 65-plusser, blijkt uit cijfers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. 105.000 ouderen van 65 jaar en ouder bezochten in 2021 na een val de spoedeisende hulp. In totaal zijn 36.200 ouderen in dat jaar opgenomen in het ziekenhuis nadat zij door een val een bezoek aan de spoedeisende hulp brachten. 5.209 ouderen overleden door een val.
Ook blijkt uit een analyse van het instituut dat het aantal 65-plussers met ernstig letsel door vallen stijgt. Een verklaring hiervoor is de vergrijzing van Nederland, die ook de komende jaren doorgaat.
CZ meldt dat hoewel vallen voor ouderen een flink gezondheidsrisico vormt, hen bereiken met preventieprogramma’s in de praktijk moeilijk is. Want zo lang het niet fout gaat, zijn veel ouderen van mening dat het onderwerp op hen geen betrekking heeft. Zorgverleners, gemeenten en zorgverzekeraars CZ en VGZ willen meer ouderen bereiken met preventieprogramma’s door een combinatie van een wearable, een app met AI en sensoren, een beweegprogramma en verbinding met zowel het social netwerk van ouderen als hulpverleners.
De betrokken partijen voerden eerder al een proefproject uit in Heeze-Leende. Zij schalen de aanpak nu op, waarbij de partijen het project in ieder geval in drie gemeenten uitrollen: Valkenswaard, Cranendonk en Someren. Het preventieprogramma is opgenomen in het zelfredzaamheidsproject ‘Maak Rimpels’, met als doelgroep zelfstandig wonende 65-plussers. Het programma kent diverse onderdelen en bestaat uit:
Kunstmatige intelligentie (AI) en zogeheten ‘assistive technologies’ (AT) ontwikkeld door GoliveHealth spelen hierbij een belangrijke rol. Zo houdt een wearable genaamd GoLiveClip in de gaten of deelnemers dreigen te vallen en monitort ontwikkelingen op dit vlak. Gebruikers kunnen verzamelde gegevens zelf inzien op hun smartphone via de GoLivePhone-app. Huisartsen in de regio en zorgverzekeraar Coöperatie VGZ zijn als partners betrokken bij het project.
De partijen willen samen tot een effectief valpreventieprogramma voor ouderen komen. Hierbij is haast geboden; in het Integraal Zorgakkoord (IZA) is door de zorgsector met de politiek afgesproken dat zorgverzekeraars een dergelijk programma voor het jaar 2024 inkopen. Dit betekent in de praktijk dat zorgverzekeraars voor 1 april uiteengezet moeten hebben hoe zij dit willen doen.
Naast het IZA werken het ministerie van VWS, de zorgverzekeraars en de gemeenten ook aan een Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA). Dit akkoord draait om preventie in de volle breedte, waarvan valpreventie onderdeel uitmaakt. In GALA leggen de betrokken partijen naar verwachting vast dat de gemeente voor preventie geld moeten oormerken.
CZ en VGZ werken beide aan eigen valpreventieprogramma’s. De zorgverzekeraars spreken met elkaar af aan diens programma’s mee te doen. Ook wijzen de verzekeraars erop al jaren in hun aanvullende zorgverzekeringen valpreventie aan te bieden. In de praktijk maken echter maar weinig ouderen hiervan gebruik. De verzekeraars willen valpreventie daarom onderdeel laten uitmaken van de basiszorgverzekering.
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Foto: Sabine van Erp via Pixabay
Het kabinet zet in op een verduurzaming van de industrie. De verdere stijging van de energieprijzen zet de industrie, de verduurzaming en de strategische en economische positie van Nederland onder druk. Verduurzaming moet tegenwicht bieden aan de hogere energiekosten. Het kabinet presenteert hiervoor het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie.
Dat schrijft minister Adriaansens van Economische Zaken en Klimaat mede namens minister Schreinemacher voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenleving aan de Tweede Kamer. De focus ligt in de verduurzamingsplannen op bedrijven die veel aardgas en elektriciteit gebruiken bij de productie of als grondstof. Dergelijke partijen kunnen steeds moeilijker concurreren met bedrijven of import uit landen die lagere energieprijzen kennen. Het kabinet meldt zich zorgen te maken over deze situatie. Het onderzoekt een aanpak die bedrijven meer zekerheid en stabiliteit biedt op de langere termijn.
De structureel hoge energieprijzen en energiesubsidies die andere landen beschikbaar stellen zorgen voor uitdagingen. Het kabinet stelt dat minder produceren, het verplaatsen of stopzetten van productie door marktomstandigheden hoort bij een gezonde marktdynamiek. Ook kan de verminderde beschikbaarheid van energie leiden tot een snellere verduurzaming en energiebesparing bij bedrijven.
Tegelijkertijd maakt het kabinet zich zorgen over de impact van de huidige energieprijzen op duurzaamheidsdoelen evenals de strategische en economische positie van Nederland. Zo schakelen bedrijven terug of overwegen hun productie naar het buitenland te verplaatsen.
Minister Adriaansens: “Nederland heeft de energie-intensieve industrie hard nodig. Zonder basischemie geen microchips of medicijnen. Zonder meel, dranken en zuivelverwerking is een deel van de supermarkt leeg. En zonder staal, aluminium en zink staan de hightech industrie, defensie-industrie en mobiliteit stil. Daarom wil ik risicovolle, strategische afhankelijkheden van andere landen op dit vlak vermijden.”
Het compenseren van de gestegen energiekosten voor de industrie is kostbaar. Ook vreest het kabinet ernstige verstoringen van de markt door subsidies en een verdere stijging van de energieprijzen. Dit aangezien de vraag naar aardgas daarmee toeneemt en de prikkel om te verduurzamen wegvalt.
Het kabinet ziet een blijvende oplossing in het versneld verduurzamen van de industrie. Want hoe sneller Nederland en de EU verduurzamen en hun afhankelijkheid van fossiele energiebronnen afbouwen, des te sneller het herstel van de concurrentiepositie van Nederland.
Het kabinet zet hierop met het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie. Dit programma geeft onder meer voorrang aan de uitbreiding van het elektriciteitsnet voor zaken die maatschappelijk prioriteit kennen. Ook wil het kabinet op Europees niveau de krachten bundelen voor het afbouwen van de afhankelijkheid van fossiele energiebronnen en versterken van de concurrentiepositie.
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Foto: annca via Pixabay
Renewi krijgt een lening van 40 miljoen euro van de Europese Investeringsbank (EIB). Het geld is bedoeld voor de financiering van de bouw van nieuwe afvalsorteerinstallaties in België, het voldoen aan de VLAREMA 8-wetgeving, nieuwe installaties voor het recyclen van plastic en de productie van gas uit bedorven voedingsmiddelen in Nederland.
De afvalverwerker en recycler Renewi is in 2017 ontstaan na een fusie van Shanks Group met Van Gansewinkel Groep. Het hoofdkantoor van de organisatie is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Nederland en België zijn de belangrijkste markten voor het bedrijf.
Dankzij de leenovereenkomst die Renewi nu met het EIB aangaat krijgt het bedrijf de beschikking over veertig miljoen euro. Met dit geld wil het bedrijf nieuwe investeringen in Nederland en België gedeelte bekostigen; in totaal gaat het om 100 miljoen euro aan geplande investeringen.
In totaal wil Renewi met de lening drie projecten financieren. Het eerste project bestaat uit de bouw van een drietal nieuwe high-tech-verwerkingslijnen voor restafval, bedrijfsafval en industrieel afval in Vlaanderen. Met behulp van de verwerkingslijnen wil Renewi meer grondstoffen terugwinnen en recyclen, wat tot verbranding van minder afval moet leiden.
Het tweede project omvat de bouw van een nieuwe sorteerinstallatie voor harde plastics op de Nederlandse locatie Acht. Hier gaat Renewi hoogwaardige secundaire plastics produceren. De vraag hiernaar op de markt neemt steeds verder toe.
Het derde project bestaat uit een upgrade van de biogasproductie van Renewi. Het bedrijf breekt hier biologisch afbreekbaar materiaal met behulp van micro-organismen af tot biogas, zonder dat dit zuurstof vereist. De secundaire grondstoffen die het hierdoor produceert maken fossiele brandstoffen overbodig, beperkt het gebruik van nieuwe grondstoffen en reduceert de uitstoot. Met behulp van nieuwe en betere apparatuur kan Renewi voortaan 60% van het biogas omzetten in biomethaan. De overige 40% transporteert het bedrijf naar een bestaande bio-LNG-installatie.
Kris Peeters, Vicevoorzitter van de EIB, licht toe: “Afvalverwerking en -verwijdering worden steeds belangrijker als we de uitstoot en het virgin grondstoffengebruik willen beperken. Dat is reden te over dit zo efficiënt mogelijk aan te pakken. Het doet me deugd dat de EIB, Renewi kan bijstaan in zijn brede ambitie om gebruikte materialen een nieuw leven te geven en bovendien kan faciliteren dat het bedrijf zijn activiteiten in België en Nederland verder verduurzaamt.”
Annemieke den Otter, Chief Financial Officer bij Renewi, voegde hieraan toe: “Renewi is enorm trots op deze steunbetuiging van de EIB voor investeringen in groene infrastructuur in zowel Nederland als België. De strijd tegen klimaatverandering wordt niet gewonnen zonder onze economie circulair in te richten en meer materialen opnieuw te gaan gebruiken. Voor deze transitie moet er grootschalig geïnvesteerd worden in geavanceerde technologieën. Wij zijn bereid ons volledig in te zetten voor deze versnellende transitie door onophoudelijk te investeren, te innoveren en ons te ontwikkelen tot dé ‘waste-to-product’-partner in de EU. We hopen bovendien onze samenwerking met de EIB in de loop der tijd verder uit te breiden.”
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Foto: Shirley Hirst via Pixabay
Kunstmatige intelligentie en in het specifiek federated learning kan de detectie van hersentumoren met maar liefst 33% verbeteren. Dit blijkt uit een gezamenlijk onderzoek Intel Labs en de Perelman School of Medicine van de Universiteit van Pennsylvania (Penn Medicine). Ook het Nederlandse Erasmus MC in Rotterdam is bij het project betrokken.
Uit cijfers van KWF Kanker Bestrijding blijkt dat in 2021 in totaal 1.397 Nederlanders een hersentumor kregen. 824 mensen stierven in 2021 aan een hersentumor. De overlevingskans over een periode van vijf jaar bedraagt 28% en over een periode van tien jaar 21%.
In het onderzoek lag de focus op federated learning, een vorm van kunstmatige intelligentie (AI) op basis van gedistribueerde machine learning (ML). “Federated learning heeft een enorm potentieel in tal van domeinen, met name in de gezondheidszorg, zoals blijkt uit ons onderzoek met Penn Medicine. Het vermogen om gevoelige informatie en data te beschermen opent de deur voor toekomstige studies en samenwerking, vooral in gevallen waarin datasets anders ontoegankelijk zouden zijn. Ons werk met Penn Medicine heeft het potentieel om patiënten over de hele wereld positief te beïnvloeden en we kijken ernaar uit om de belofte van federated learning verder te onderzoeken”, licht hoofdingenieur Jason Martin van Intel Labs toe.
De partijen onderzochten de inzet van federated learning voor de identificatie van kwaadaardige hersentumoren. Hierbij is zeer omvangrijke dataset van 71 instellingen op zes continenten gebruikt. Het gebruik van een dergelijke dataset is complex, onder meer vanwege strenge nationale wetgeving omtrent databescherming. Denk hierbij aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in Nederland.
De strenge wetgeving bemoeilijkt het realiseren van medisch onderzoek en gegevensuitwisseling op grote schaal. Federated learning kan uitkomst bieden. De partijen melden dat Intel’s federated learning hardware en software aan de eisen van dataprivacy voldoet en data-integriteit, privacy en veiligheid beschermt door middel van vertrouwelijk computergebruik.
De gegevens zijn verwerkt in een gedecentraliseerd systeem met behulp van Intel federated learning technologie. Dit in combinatie met Intel Software Guard Extensions (SGX). De technologie zorgt dat de ruwe data binnen het eigen ziekenhuisnetwerk blijft. Op basis van de ruwe data berekent de technologie modelupdates. Alleen deze modelupdates stuurt de technologie door naar een centrale server of aggregator. Zo pakt de technologie diverse problemen rondom dataprivacy aan.
Radioloog prof. dr. Smits en biomedisch onderzoeker dr. Van der Voort van het Erasmus MC legt uit: “Vanuit het Erasmus MC konden we door deze federated learning studie bijdragen aan het verbeteren van automatische tumordetectie, zonder daarvoor patiëntgegevens te hoeven versturen. Automatische tumor detectie is een belangrijke stap voor het personaliseren en opvolgen van een behandeling, en om deze methodologie te ontwikkelen is het essentieel om data vanuit veel verschillende instituten te gebruiken. Met deze samenwerking hebben we dat eenvoudig kunnen doen, terwijl we wel zelf de controle konden houden over onze data.”
“Federated learning biedt een doorbraak in het waarborgen van veilige multi-institutionele samenwerkingen. Het maakt de toegang tot de grootste en meest diverse dataset mogelijk die ooit in de literatuur is gezien. En dat terwijl alle data te allen tijde binnen elke instelling zelf worden bewaard”, aldus senior auteur Spyridon Bakas, PhD, assistent-professor Pathologie & Laboratoriumgeneeskunde, en Radiologie, aan de Perelman School of Medicine van de Universiteit van Pennsylvania. “Hoe meer data we kunnen invoeren in modellen voor machine learning, hoe nauwkeuriger ze worden. Dat zal op zijn beurt ons vermogen verbeteren om zelfs zeldzame ziekten, zoals glioblastoom, te begrijpen en te behandelen.”
De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Communications.
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Foto door: Pixabay / Michal Jarmoluk
AB InBev gaat een samenwerking aan met Einride. De Belgische bierbrouwerij krijgt de beschikking over een volledig elektrische vloot van vrachtwagens voor zwaar transport tussen Brussel en Leuven. Naar verwachting verlaagt AB InBev hiermee haar CO2-uitstoot met 500 ton op jaarbasis.
Einride is een Zweeds bedrijf dat is gespecialiseerd in elektrische en zelfrijdende voertuigen. Deze voertuigen heten ‘Einride Pods’. De pods zijn niet voorzien van een cabine en bieden geen ruimte aan een menselijke bestuurder. Het voertuig rijdt dan ook autonoom. Wel kijkt altijd een menselijke professional mee tijdens de rit. Deze begeleider kan indien nodig ingrijpen en de controle over het voertuig overnemen.
Het Zweedse bedrijf introduceert de Eindride Pod in het voorjaar van 2017. Het eerste prototype op volledige schaal – de T-Pod – is op 4 juli datzelfde jaar door het bedrijf gepresenteerd.
Sindsdien timmert het bedrijf aan de weg. Zo sloot het bedrijf in 2017 een partnership af met Lidl en in 2018 met DB Schenker. De eerste commerciële installatie van een Einride Pod is in november 2018 gerealiseerd in het Zweedse Jönköping. Sinds mei 2019 verzorgen de voertuigen hier daadwerkelijk bezorgingen. De Einride Pods mogen hierbij met een snelheid van 5 kilometer per uur voortbewegen.
Ook Maersk is klant bij Einride; het bedrijf wil via Einride elektrische voertuigen inzetten op de Amerikaanse wegen. Het transportbedrijf bestelde 300 zogeheten Class 8-vrachtwagens. Dit zijn de zwaarste categorie vrachtwagens die in de Verenigde Staten (VS) de weg op mogen. De voertuigen die Maersk gaat gebruiken zijn door Einride aangeschaft bij het Chinese BYD, dat de voertuigen produceert in de staat Californië.
“Terwijl we onze Amerikaanse activiteiten blijven uitbreiden en onze end-to-end verzendoplossing op schaal bieden, is het essentieel om een OEM-partner te hebben die met ons kan samenwerken bij het leveren van de beste elektrische voertuigen in zijn klasse”, lichtte Niklas Reinedahl, General Manager North-America bij Einride, toe over deze deal met het Chinese bedrijf. Met behulp van de vrachtwagens van BYD wil Einride klanten ondersteunen met het op efficiënte wijze elektrisch, kostenconcurrerend en emissievrij vervoeren van goederen.
AB InBev gaat vanaf begin 2023 een samenwerking aan met Einride. Zo wil de Belgische brouwer het voortouw nemen in de grootschalige uitrol van zwaar elektrisch transport in België. De oplevering van de elektrische vrachtwagens vindt gefaseerd plaats. In de eerste fase neemt AB InBev zes elektrische vrachtwagens van Einride in gebruik op het traject tussen Brussel en Leuven. Ook realiseren de partijen de bijbehorende laadinfrastructuur.
De bierbrouwer gaat de elektrische vrachtwagens inzetten rondom Leuven en Brussel. Het bedrijf wil hiermee zijn doelstelling ondersteunen om in 2040 klimaatneutraal te zijn in haar gehele toeleveringsketens. Dat betekent onder meer grote veranderingen in het wagenpark van AB InBev.
“Wij kopen geen dieseltrucks meer aan en zullen elke dieseltruck die is afgeschreven, stelselmatig vervangen door een elektrische variant. Aangezien we volgend jaar beginnen met de brede inzet van elektrische voertuigen voor stadsleveringen in Gent, Brussel, Luik en Leuven, is het partnerschap met Einride voor elektrisch zwaar transport op de middellange afstand de volgende stap in onze “Green Logistics” strategie. Als de omgeving waarin we werken duurzamer wordt, zal ook de kwaliteit van de natuurlijke ingrediënten om bier te brouwen, daar beter van worden”, licht Philippe Seminck, AB InBev’s Logistics Director voor de Benelux en Frankrijk, toe.
“De Benelux is het kloppend hart van Europa en de plaats bij uitstek om veranderingen in de hele Europese Unie tot stand te brengen”, zegt Robert Falck, CEO en oprichter van Einride. “In de afgelopen tien jaar heeft de EU de uitstoot van broeikasgassen in elke sector verminderd, met uitzondering van de transportsector. Daar is de uitstoot alleen maar toegenomen, waarbij vrachtvervoer over de weg verreweg de grootste vervuiler blijft. Het is de hoogste tijd om actie te ondernemen om de doelstelling van een halvering van de uitstoot tegen 2030 te halen. Met onze toonaangevende technologie, die vanaf het begin af aan elektrisch is geweest, willen we bijdragen aan significante emissiereducties, zodat Europa de leiding kan nemen in de wereldwijde race naar net zero.”
Einride zet voor het realiseren van elektrisch vrachtvervoer een oplossing genaamd Einride Saga in. Dit is een platform dat klanten onder meer toegang geeft tot actiegedreven inzichten over KPI’s rondom transport, energiegebruik en prestaties. Denk hierbij aan vermeden CO2-emissies door de inzet van Einride Pods en de daadwerkelijke CO2-uitstoot, maar ook aan het aantal elektrisch gereden kilometers en percentage elektrisch gereden kilometers in wagenparken dat bestaat uit zowel elektrische voertuigen als exemplaren met een verbrandingsmotor. De data is in real-time beschikbaar en ondersteunt bedrijven bij het realiseren van hun duurzaamheidsdoelstellingen.
Het Einride Saga-platform helpt organisaties ook bij het beheren van hun transporten. Zo geeft de oplossing het volledige netwerk van elektrische voertuigen en oplaadinfrastructuur in real-time weer. Eventuele problemen die optreden op routes zijn hierdoor direct adresseerbaar. Ook geeft Saga inzicht in individuele ritten. Komt een rit onverhoopt te laat aan? Dan is via Saga nauwkeurig zichtbaar hoe dit komt en welke acties je in reactie op de vertraging kunt nemen.
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Foto: En Serio
Een wereldprimeur in het Gelderse Lochem. Als onderdeel van een pilotproject verwarmt Energiecoöperatie LochemEnergie monumentale woningen in de wijk Berkeloord met behulp van waterstof. Het waterstof stroomt via het bestaande gasnetwerk de woningen binnen.
Bij het verduurzamen van woningen is veel aandacht voor onder meer (hybride) warmtepompen en warmtenetten. Aangezien beide verwarmingsmethode lage-temperatuur-systemen zijn, is een goede isolatie van de woning een belangrijke vereiste. Voldoende isoleren voor verwarming met behulp van lage-temperatuur-systemen is echter niet altijd mogelijk. Met name bij oudere woningen zijn de mogelijkheden vaak beperkt en dergelijke systemen niet geschikt.
Waterstof kan voor oudere woningen een interessant alternatief zijn. “Waterstof is een hoge-temperatuur-systeem en kan een duurzaam alternatief zijn. Tijdens de pilot in Lochem doen we ervaring op met waterstof door het bestaande aardgasnet én met de nieuwe technologie van waterstofketels als voorbereiding op een aardgasvrije toekomst”, schrijft Alliander op zijn website. Alliander leidt het pilotproject, dat een looptijd van drie jaar kent.
De vraag voor een groen alternatief van aardgas is afkomstig vanuit bewoners zelf en is gedeeld via Energiecoöperatie LochemEnergie. Een grote groep geïnteresseerden melden zich aan. Hieruit is een eerste cluster van twaalf woningen geselecteerd.
LochemEnergie en Remeha onderwierpen deze woningen aan een technische schouw. Hierbij zijn onder meer het huidige gasverbruik, warmteverlies en concrete isolatiemogelijkheden in kaart gebracht. Ook is geanalyseerd of de waterstofketels van Remeha aan de verwachte warmtevraag kunnen voldoen. Op basis van de uitkomsten zijn een twaalftal woningen definitief geselecteerd voor het pilotproject.
Het waterstof waarvan de woningen gebruikmaken is afkomstig van het industrieterrein Stijgoord, net buiten de wijk. Hier leveren tubetrailers het waterstof aan. De partijen transporteren het waterstof vervolgens vanaf het industrieterrein via het bestaande aardgasnet naar de twaalf woningen.
Het uitgangspunt hierbij is groene waterstof, dat is vervaardigd uit duurzame energie. Daarvan is op dit moment echter onvoldoende beschikbaar. Het project draait daarom op grijze waterstof.
Ter voorbereiding van het pilotproject realiseerde Alliander en Kiwa een demonstratiewoning in Lochem. Dit Hydrogen Experience Center vormt een testomgeving voor diverse componenten. Daarnaast doet de locatie dienst als scholingsplaats voor zowel monteurs als storingsmonteurs.
Bij het project zijn naast Alliander, LochemEnergie en Remeha ook Belangenvereniging Beschermd Stadsgezicht Berkeloord (BBSB), Kimenai Installatiebeheer en Westfalen Gassen Nederland betrokken.
Op het gebied van waterstof zijn de afgelopen jaren veel ontwikkelingen. Zo nam technologiemultinational Wilo, producent van pompen en pompsystemen, in oktober een waterstoffabriek in gebruik bij zijn hoofdkantoor in het Duitse Dortmund. Wilo ziet waterstof als een van de sleuteltechnologieën voor het realiseren van de klimaatdoelstellingen van Parijs.
Denk echter ook aan Bosch, dat een investering tot 500 miljoen dollar aankondigde in de ontwikkeling van componenten van elektrolysers and onderdeel van zijn Mobility Solutions-divisie. Het bedrijf zet hiermee in op de productie van groene waterstof. Bosch investeert hierbij specifiek in de ontwikkeling van componenten voor elektrolysers. Deze apparaten scheiden water in waterstof en zuurstof.
Ook ondertekende Hydrogenious, een pionier op het gebied van vloeibare organische waterstof (LOHC), in oktober een Memorandum of Understanding (MoU) met tankopslagbedrijf Evos en Port of Amsterdam. De partijen geven hierin aan gezamenlijk grootschalige import- en opslagvoorzieningen voor waterstof te willen opzetten in de Amsterdamse haven. Deze voorzieningen bestaan uit een grootschalige ontkoppelingsfabriek voor LOHC (dehydrogeneringsproces) en bijbehorende infrastructuur. Op termijn moet dit leiden tot een productiecapaciteit van zo’n 100 tot 500 ton waterstof per dag.
Ook TNO timmert op het gebied van waterstof aan de weg. Zo presenteerde onderzoekers van TNO eveneens in oktober een nieuwe methode voor waterstofproductie die 200 keer minder iridium vraagt, terwijl 25 tot 46% van de prestaties van de huidige generatie elektrolysers gerealiseerd kan worden. Belangrijk, aangezien iridium een schaars materiaal is.
Auteur: Wouter Hoeffnagel
Afbeelding: Rony Michaud via Pixabay